Klik om te vergrotenTitel:Voor donkere dagen

Schrijver:Jonker , Dr. A. J. Th.
Uitgever:G. F Callenbach . Nijkerk
Genre:Roman
ISBN:n.v.t.
Illustrator:n.v.t.
Vertaler:n.v.t.
Oorspronkelijke titel:n.v.t.
Bijzonderheden:Geb. Blauw kunstleder 1902 2e druk Zeer zeldzaam boek
Prijs:€ 35.00



Beschrijving:
Levensbericht van Aart Jan Theodorus Jonker
12 September 1851-6 Juni 1928.
Aart Jan Theodorus Jonker werd den 12den September van het jaar 1851 in de Hervormde pastorie te Laren, in Gelderland, geboren. Zijn vader, Hendrik Jonker, was eerst eenigen tijd predikant te Midwoud, in Noord-Holland, geweest, maar had daarna een beroep naar Laren aangenomen, om daar verder tot op zijn emeritaat te blijven arbeiden. Ds. Jonker was een man van den ouden stempel. Met zeldzame nauwgezetheid heeft hij zijn plicht als predikant vervuld, en ook de theologische studie hield hij, zooveel zijn pastorale werk hem dat toeliet, bij. Naar zijn theologische denkwijze was en bleef hij in groote lijnen een discipel van Heringa. Van uitersten was hij beslist afkeerig. Meer nog dan tegen de strenge Orthodoxie, heeft hij zich tegen het Modernisme van Scholten verzet. Daarvan getuigt ook een studie over de vraagstukken betreffende het Evangelie van Johannes, waarin hij de resultaten van den Leidschen theoloog heeft bestreden.

Vader Jonker is tweemaal getrouwd geweest. Na zijn eerste huwelijk is hij hertrouwd met Johanna Maria Joosten, die nog als kind bij hem op katechisatie was geweest, en uit Laren afkomstig was. Wanneer wij enkele kinderen, die heel jong gestorven zijn, niet mede rekenen, zijn er uit het eerste en het tweede huwelijk in het geheel twaalf kinderen geboren. Tien van de twaalf, waaronder zes meisjes en de gebroeders Aart Jan Theodorus, Hendrik, en Gerrit Jan Abraham, waren uit het tweede huwelijk, terwijl Ds. Jonker uit het eerste huwelijk nog twee kinderen bezat. Mevrouw Jonker was een uitnemende huismoeder, die opging in haar gezin, en zich het gelukkigste gevoeld heeft, toen zij ‘in de kleine kinderen zat’. Een enkele maal maakte zij het in haar ijver zoo bedenkelijk laat, dat de Larensche nachtwacht, in de eenzame pastorie onraad vermoedende, kwam aankloppen, en haar doodelijk verschrikt naar bed joeg.
Uit alles blijkt, dat de Larensche pastorie voor de ouders en de kinderen Jonker een soort van paradijs in hun leven is geweest. Het tractement van Ds. Jonker bedroeg niet meer dan zes honderd gulden, zoodat er heel zuinig moest worden geleefd. Toch heeft er in het gezin nooit armoede geheerscht. De ouders zagen nauwlettend op hun kroost toe, en de vader bezielde de kinderen telkens weer bij hun schoolwerk. In de familie te Laren heeft het zeker niet aan vroolijkheid en ontspanning ontbroken. In de huiskamer vertelde Ds. Jonker gaarne uit den tijd, toen hij, als vrijwilliger, aan den veldtocht van 1830 had deelgenomen. En moeder Jonker hield er van, haar kinderen zoo nu en dan op Geldersche spekpannekoeken te tracteeren.

Van de jongens was Aart de oudste. Op hem volgde Hendrik, die een paar jaren later dan Aart te Utrecht aankwam, medicijnen studeerde, en, na een jarenlange practijk als dorpsdokter te 's Graveland, daar als een zeer gewaardeerd medicus thans nog in leven is.

Gerrit Jan Abraham, de jongste zoon, zag in 1864 - dus elf jaren na zijn broeder Aart - het levenslicht. Evenals Aart zou hij later theologie gaan studeeren, en het is met dezen lateren Utrechtschen predikant, dat Dr. Jonker zich vooral bijzonder verbonden heeft gevoeld.

Als kleine jongen bezocht Aart de dorpsschool te Laren. In dezen tijd was hij zeer bevriend met een armen gebochelden schoolknaap, een zekeren Gajt Klomphaar, aan wien hij tot in zijn ouderdom nog dikwijls heeft gedacht. Naar verhouding schijnt het onderwijs op de Larensche dorpsschool beter te zijn geweest, dan dat op de Latijnsche school te Lochem, waar Aart Jonker daarna de lessen volgde. Althans Jonker verklaarde zelf wel, dat ‘die Latijnsche school te Lochem een prulleboel was in het kwadraat’. De leeraar, die daar onderwijs gaf, leed aan vallende ziekte. Zoodra de jongens maar even bemerkten, dat er aan den armen man iets haperde, vroegen zij terstond of zij weg mochten gaan, met dit gevolg, dat de leeraar onverwacht voor stoelen en banken doceerde. Veel beter was het onderricht in het Hebreeuwsch, dat hij, met het oog op zijn theologische studie, van een der predikanten uit den omtrek genoot. Ook heeft een vermogend Israëliet hem bij zijn lessen in deze taal geholpen, zoodat Jonker met een voor dien tijd gedegen kennis van het Hebreeuwsch de Latijnsche school verliet, om de Universitaire colleges te gaan volgen. De herinneringen van vader Jonker aan de Utrechtsche Hoogeschool, niet het minst ook de roep, die er in orthodoxe kringen dier dagen van de Theologische Faculteit te Utrecht uitging, zullen Ds. Jonker wel tot de opleiding aan de Stichtsche Universiteit hebben doen besluiten.

In de Theologische Faculteit te Utrecht doceerden, toen Jonker aankwam, de drie bekende Hoogleeraren B. ter Haar, J.I. Doedes
en J.J. van Oosterzee. De oudste van het drietal, Bernard ter Haar, beschikte in Jonker's studentenjaren vanaf 1869 reeds niet meer over zijn volle levenskracht. Zijn naam was eens als die van een verdediger der Protestantsche zaak op aller lippen, toen hij in de dagen der April-beweging in 1853 Koning Willem III, bij zijn bezoek aan de stad Amsterdam, op welsprekende wijze toesprak. In de vacature Royaards tot Hoogleeraar in de Kerkhistorie, Ethiek, en de Inleiding tot het Nieuwe Testament benoemd, heeft hij zich na zijn langdurige practijk niet meer tot een eigenlijk vakman kunnen ontwikkelen. De studenten hielden van hem als mensch, want Ter Haar was zeldzaam voorkomend en goedhartig.

Ongetwijfeld was Doedes de man, die als geleerde in de toenmalige Faculteit den meesten invloed op de wetenschappelijke scholing zijner studenten heeft geoefend. Uitnemend exegeet, en vooral tekstcriticus, stelde hij met groote scherpzinnigheid de vraagstukken aan de orde, leerde hij zijn studenten goed onderscheiden, juist definieeren, zuiver stellen, duidelijk formuleeren. Zijn streven was er vooral op gericht zijn leerlingen een exegetisch geweten te geven. Op zijn colleges heeft hij menigen student belangstelling voor de Nieuw-Testamentische vraagstukken weten in te boezemen, en het is wel teekenend, dat drie zijner leerlingen: Van Manen, Baljon, en Van Rhijn, tegelijkertijd aan drie Academie's het Nieuwe Testament hebben onderwezen.

De meest algemeen-populaire figuur in de Utrechtsche Faculteit was ongetwijfeld J.J. van Oosterzee. Duizenden en nog eens duizenden hebben zich in onze Hervormde kerken verdrongen, om van de welsprekendheid van dezen ‘redenaar bij de gratie Gods’ getuige te zijn. Als Hoogleeraar onderwees Van Oosterzee de leerstellige Godgeleerheid, de theologie van het Nieuwe Testament, en de Practische Theologie. In zijn dogmatische overtuiging was hij geen leerling van Voetius of Calvijn. Evenmin was hij een geestverwant van Donker Curtius of van de Groningers. Het beste zou men hem een Nederlandschen vertegenwoordiger van de theologie der ‘Vermittlung’ hebben kunnen noemen. Vooral op homiletisch gebied heeft hij zijn studenten gevormd, en, ofschoon Jonker het meeste van Doedes hield, bleef hij toch tot het einde toe met eerbied over den practisch-theologischen arbeid van Van Oosterzee spreken.

Gedurende zijn studententijd heeft Jonker zeer zuinig moeten leven, maar hij heeft toch bijzonder van zijn Academie-jaren genoten. Onder meer was hij lid van het studenten-corps, en met H.J. ter Haar Romeny, C.F.S. Rutgers, P.C. van Oosterzee, C. Beets, C. Veen e.a. was hij door nauwe vriendschap verbonden. Menigmaal sprak hij met talent op de Corpsvergaderingen, en toen er een strijd tusschen de ‘aristocraten’ en de ‘democraten’ over de verplaatsing der Societeit ontstond, schaarde hij zich met beslistheid onder het vaandel der ‘democraten’. Als goed
zoon van zijn vader, die immers den veldtocht van 1830 had medegemaakt, oefende hij zich tijdens den oorlog van 1870 in den vrijwilligen wapenhandel. Bij dit alles verwaarloosde hij zijn studie niet. Zijn examens deed hij op tijd en goed. Ook verrichtte hij zijn werkzaamheden in het gezelschap ‘Secor Dabar’ getrouw, en als voorzitter heeft hij aan dit dispuut een tijdlang leiding weten te geven. Op den 28sten April 1875 deed hij zijn proponents-examen te Den Haag, nadat hij reeds te voren den graad van doctorandus had verkregen. Eenige maanden daarna trad hij voor het eerst voor de Larensche gemeente op den preekstoel van zijn vader op.

Jonker heeft niet lang op een beroep behoeven te wachten. Reeds spoedig begeerde men hem als predikant te Warnsveld, - dus niet ver van Laren -, en den 11den November 1875 werd Aart door zijn vader in dit destijds nog geheel landelijke dorp bevestigd. Doordat Jonker een voorbeeldige opvatting had van zijn pastorale werk, wist hij de vrij uitgestrekte gemeente reeds na korten tijd aan zich te binden. Vooral zijn katechisatie's zijn in de herinnering der ouderen blijven voortleven. Een enkele maal dreigde het, tengevolge van uiteenloopende waardeering van de dorpskermis, op een conflict met den populairen Burgemeester J.H. van Hamel uit te loopen. Maar de strijd werd gelukkig bijgelegd, en Jonker heeft te Warnsveld over het algemeen heerlijke jaren gehad. Onder meer woonde ook zijn broeder Gerrit bij hem in de pastorie, van waaruit hij geregeld het Gymnasium te Zutfen bezocht. Te Warnsveld leerde Jonker ook Geertruyd Agnes Baronesse van Haersolte van Haerst kennen, met wie hij later in den echt zou worden verbonden. Truus van Haersolte vertoefde er namelijk in de Kostschool van de Dames de Vries, waar ook de latere Mevrouw Adriani-Gunning, de dochter van den grooten theoloog, tot hare vriendinnen behoorde.

De jaren te Warnsveld heeft Jonker ook gebruikt om zijn dissertatie te schrijven. Naar aanleiding van de radicale critiek van Straatman op de ‘Handelingen der Apostelen’, stelde Jonker een proefschrift op, waarin hij vooral de berichten over de gevangenschap van Paulus te Jeruzalem, Cesarea, en Rome, aan een nader onderzoek onderwierp. In groote lijnen komt de inhoud hierop neer, dat de schrijver vrijwel op alle punten Straatman's beschouwingen bestrijdt. Den 21sten Juni 1877 promoveerde Jonker tot Doctor in de theologie. Doedes was zijn promotor. De promotie-dag moet bijzonder aardig zijn geweest. Zijn boek bewees, dat hij ruimschoots in staat was een wetenschappelijk onderwerp te behandelen. Daarnaast verhoogde de overkomst van vele Utrechtsche en Larensche vrienden de feestvreugde.

Op den eersten December van het jaar 1878 werd Jonker door zijn vader te Heerde, waarheen hij een beroep had aangenomen, bevestigd. De periode te Heerde mag uit een pastoraal
oogpunt tot de schoonste uit zijn ambtelijken loopbaan worden gerekend. Eigenlijk had Jonker hier altijd wel willen blijven. In deze jaren is in zijn hart de liefde voor de verre bewoners der Heerdensche heide gewekt. Daarbij kwam, dat vader en moeder Jonker na het afscheid te Laren besloten hadden zich te Heerde te vestigen. Gedurende de eerste jaren woonden allen bij Jonker in de pastorie. Later trokken de ouders in de woning over het Gemeente-huis, die tot op den huidigen dag in het bezit der familie is gebleven. Het spreekt vanzelf, dat Jonker van de nabijheid van zijn ouders bijzonder heeft genoten. Daarnaast heeft hij te Heerde ook gelegenheid gehad om hard te studeeren. Des morgens stond hij menigmaal reeds om vier uur op om te werken. Vooral las hij destijds gaarne in Fichte, Von Baader, Gunning en anderen.

Reeds te Heerde kwam uit verschillende Hervormde gemeenten het eene beroep na het andere tot hem. Jonker meende aan een roepstem uit de Rotterdamsche gemeente gehoor te moeten geven, preekte den 21sten Mei 1882 afscheid te Heerde, en verhuisde naar de Jonkerfransstraat te Rotterdam, waar een zijner zusters hem tot op den dag van zijn huwelijk bleef vergezellen. Den 4den Juni sprak hij zijn intree-rede uit, nadat hij door den Rotterdamschen predikant Van der Hagt was bevestigd. Vooral te Rotterdam is de grondslag voor Jonker's roep als kanselredenaar gelegd. Het duurde niet lang, of de opgang dien hij er maakte, was geweldig. Met één slag zette hij de gemeente in vlam, zoodat de kerkdeuren te nauw werden om de samenstroomende menigte binnen te laten. De dochter van Opzoomer, de bekende schrijfster Wallis, kwam soms weken lang te Rotterdam logeeren om Jonker te hooren. Beets verklaarde: ‘In mijn schatting heeft Jonker het ideaal der welsprekendheid bereikt’.

Er is geen periode in het leven van Jonker geweest, waarin hij zoo hard heeft gewerkt als te Rotterdam. In den druksten tijd had hij er geregeld ongeveer duizend katechisanten, en hij studeerde er zooveel mogelijk tot drie uur in den nacht. Naast tal van andere werkzaamheden, arbeidde hij hier ook aan een practische verklaring van 1 Corinthe 13, een publicatie, waarmede Brill, Gunning e.a. hun bijzondere ingenomenheid betuigden. Bij zijn arbeid in de gemeente werd hij trouw bijgestaan door zijn vrouw Geertruyd Agnes Baronesse van Haersolte, met wie hij den 11den Februari 1886 in het huwelijk was verbonden. Prof. Gunning zegende het huwelijk in de Nieuwe Kerk te Amsterdam in. Onder de collega's was Jonker bijzonder bevriend met Dr. W. Astro, die, als geestverwant van De la Saussaye senior, nog geruimen tijd met den vader der Ethische richting in Nederland te Rotterdam had samengewerkt. De oprichting der ‘Theologische Studiën’ onder redactie van F.E. Daubanton, F. van Gheel Gildemeester, A.J. Th. Jonker, C.H. van Rhijn en D.C. Thym, bracht Jonker geregeld met een kring van oudere en jongere
vrienden in aanraking. Vooral van den omgang met Van Rhijn, die destijds predikant te Gouda was, heeft Jonker te Rotterdam veel genoten. Reeds als studenten hadden beide mannen elkander leeren kennen, maar eerst in latere jaren is hun verhouding tot een vriendschap voor het leven uitgegroeid, die hoe langer hoe hechter en dieper is geworden.

Tegen het einde van Jonker's verblijf te Rotterdam brak de kerkelijke beweging van 1886 uit, waardoor Jonker's gezondheid voor goed een knauw heeft gekregen. Uit deze periode hield hij een gevoelig zenuwgestel, bleef hij voortdurend opzien tegen preeken, en was hij, later vooral ook, dikwijls huiverig om uit de stad te gaan, of te reizen. Het eindigde te Rotterdam dan ook met een rustkuur te Laag-Soeren en te Heerde, en Jonker moest naar een kleinere gemeente gaan uitkijken. Toen er betrekkelijk spoedig een beroep naar Ellecom kwam, besloot hij dit aan te nemen. Aangezien zijn gezondheid hem verbood persoonlijk te Rotterdam afscheid te prediken, gaf hij onder den titel ‘Gedachtenis’ een bundel meditatiën uit, waarin hij zijn oude gemeente een ernstig en hartelijk ‘vaarwel’ toeriep.

In den Rotterdamschen tijd is Jonker hoe langer hoe meer onder den indruk gekomen van de theologie van De la Saussaye senior. Van zijn leermeesters Doedes en Van Oosterzee groeide hij steeds meer in de richting der Ethische beschouwingen af. Waarschijnlijk heeft de Utrechtsche Hoogleeraar Brill hem reeds vóór den Rotterdamschen tijd op de geschriften van Vinet, De la Saussaye, en Gunning, gewezen. In ieder geval heeft Jonker het recht der religie steeds meer als zelfstandige aangelegenheid van den zedelijk bepaalden mensch gehandhaafd. Van de panthëistische poësie was hij precies even afkeerig als van het dëistische prosa. De weg tot het ontwaken van het geweten ging niet door de verlichting van het verstand, maar tot de verlichting van het verstand moest het komen door het ontwaken van het geweten. De waarachtige kennis wordt eerst daag aangetroffen, waar het woord van het Koninkrijk van God het woord is geworden der vrijgemaakte conscientie. In dit alles, en meer, is Jonker zonder eenigen twijfel een vertegenwoordiger van het Ethisch beginsel geweest, en hij is dit ook tot het einde toe gebleven. Toch heeft daarnaast Sören Kierkegaard steeds grooteren invloed op hem geoefend. Nog in den Rotterdamschen tijd vertaalde Jonker Kierkegaard's: ‘Zur Selbstprüfung der Gegenwart empfohlen’, en men mag gerust zeggen, dat Jonker degene is geweest, die Kierkegaard in ons land heeft geintroduceerd. Ook kan het niet worden ontkend, dat Kierkegaard hier en daar stellig de veronderstellingen der Ethische theologie in Jonker's gedachtenwereld heeft bedreigd. Samen met zijn broeder Gerrit, heeft Aart Jonker zich zijn verdere leven lang met de bestudeering van Kierkegaard bezig gehouden, en menigeen den weg naar den grooten Deen gewezen.
Op den elfden December 1887 werd Jonker door J.H.L. Roozemeyer te Ellecom bevestigd. Over het algemeen heeft Ellecom hem veel goeds gebracht. De menschen waren er hartelijk, en het ontbrak niet aan wederzijdsche sympathie. Uit dezen tijd dagteekent ook Jonker's vriendschappelijke relatie met den leider der ethisch-Modernen, den Amsterdamschen Hoogleeraar S. Hoekstra. Des zomers vertoefde Hoekstra gaarne te Ellecom, en met zijn collega's Kuenen en Loman kwam hij mees dan eens bij Jonker ter kerke. Hoekstra verklaarde, dat hij en zijn vrienden altijd diep onder den indruk van den ernst van Jonker's preeken waren thuis gekomen.

Vanuit Ellecom bevestigde Jonker den 8sten April 1888 zijn broeder Gerrit te Leusden. Een zware slag trof hem, toen zijn vader den 30sten Januari 1888, betrekkelijk onverwachts, te Heerde stierf. Den Zondag na de begrafenis preekte Jonker te Ellecom over de woorden uit 2 Samuel 12 vers 23b: ‘Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen’.

Twee dingen hebben vooral een schaduw over het verblijf te Ellecom geworpen. In de eerste plaats heeft het meer dan eens tusschen Jonker en het huis ‘Middachten’ gebotst. Van der jeugd af had Jonker een zekere aprioristische voorkeur voor armen en eenvoudigen. Wij zagen, dat hij ook reeds als student de partij der ‘democraten’ koos. Het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat hij volstrekt niet zonder meer afwijzend tegenover het Socialisme stond, en zich in de patriarchale verhoudingen te Ellecom in het geheel niet kon vinden. Daardoor konden er conflicten met de familie Bentinck onmogelijk uitblijven. Naast allerlei botsingen met het huis ‘Middachten’, geraakte Jonker te Ellecom ook in polemiek met Dr. Kuyper. Het was immers ook in deze jaren, dat Kuyper op allerlei wijzen het samengaan van Rome en Dordt zocht te verdedigen.

Een en ander gaf Jonker aanleiding een brochure uit te geven, waarin de Calvinistische ingenomenheid met Rome aan Calvijn zelf werd getoetst. In ‘De Standaard’ e.e. verdedigde Dr. Kuyper zich met de bewering, dat Jonker zich de moeite van het samenlezen van allerlei anti-Roomsche citaten bij Calvijn had kunnen besparen. Deze gegevens waren toch immers genoegzaam bekend! Ook ving Kuyper er Jonker op, dat hij een citaat uit Calvijn verkeerd had vertaald. In deze laatste aanmerking had Kuyper gelijk. Maar dit gaf hem geen recht, om zijn tegenstander, op grond van zulk een vergissing, telkens bespottelijk te maken, en zooveel mogelijk te vernietigen. Het is te betreuren, dat Dr. Kuyper zich in deze polemiek tegen Jonker van zulk een zwakke zijde heeft getoond. Uit zijn geheele houding mogen wij overigens afleiden, dat de brochure van Jonker, die terstond uitverkocht was, voor zijn besef op een bijzonder ongeschikt oogenblik is verschenen.

Doordat zijn gezondheid langzamerhand was verbeterd, gevoelde
Jonker, dat hij te eeniger tijd een grooteren werkkring zou moeten aanvaarden. Toen er een beroep naar Dordrecht kwam, trok de Merwede-stad hem eerst in het geheel niet aan. Toch verzond hij, op het laatste oogenblik, het bericht dat hij kwam. Den 20sten December 1891 sprak hij zijn afscheidsrede te Ellecom uit. En den derden Januari 1892 deed hij te Dordrecht zijn intrede, nadat hij door zijn broeder Gerrit, destijds te Kralingen, in den dienst was bevestigd. Gedurende een tiental jaren heeft Jonker daarna te Dordt gearbeid, en hij heeft er nooit spijt van gehad, dat hij het beroep heeft aangenomen. Met zijn ambtgenooten stond hij op een goeden voet. Vooral met Loeff kwam hij geregeld in aanraking. Evenals in zijn vorige gemeenten, sneed hij met angstvallige nauwgezetheid alles af, wat niet tot de waarneming van zijn ambt behoorde. Vooral in zijn wijk, die vrijwel geheel uit armen bestond, heeft hij met groote trouw gearbeid. Een enkele maal hield hij ook wel een lezing buiten Dordt, bijvoorbeeld op de predikanten-vergadering te Utrecht. Inzonderheid de sociale vraagstukken hadden zijn aandacht en belangstelling. Te Dordt schreef hij dan ook niet alleen zijn ‘Een apostolische huiszegen’, en ‘Beter dan robijnen’, maar ook ‘Het sociale vraagstuk’, een boek, dat als wekstem voor de gemeente bedoeld was. Terwijl de beide eerste boeken vooral meditatiën gaven, bracht het laatstgenoemde geschrift een forschen aanval op het gemis aan socialen zin in de christelijke gemeente, vooral ook onder de rijken. Jonker's afkeer van het leven der gegoeden en der aristocraten bracht hem er toe, de fiolen van zijn toorn over allerlei verhoudingen uit te storten.

Er staat in dit boek zooveel gedurfds, dat wij ons best kunnen begrijpen, dat de ontvangst niet onverdeeld vriendelijk was. Mr. N.G. Pierson was er bepaald ontstemd over. Velen beweerden, dat het roode spook Jonker blijkbaar had beinvloed. Vooral Dr. A.W. Bronsveld was, blijkens zijn Kroniek in de ‘Stemmen’ van Mei 1893, in het geheel niet gesticht. Van andere zijde nam men het weer voor den schrijver op. Een bezwaar van het boek was, dunkt mij, dat het te veel aan kennis der economie ontbrak. Ook hadden de dingen hier en daar wel wat zachter kunnen worden gezegd. Maar bij de steeds sterker wordende neiging om Christendom en conservatisme te verbinden, was de reactie van Jonker volkomen begrijpelijk. Men vertroetelt, vooral onder de rijken, de behoudende elementen in het Christendom uit vrees voor de explosie van het dynamiet.

Vooral ook te Dordt - en later te Heemstede - heeft Jonker de reputatie van een der grootste redenaars van ons vaderland te zijn, verkregen. Geimproviseerd heeft hij op den kansel vrijwel nooit. Hij achtte dit ook bepaald ongeoorloofd. Zijn preek schreef hij geheel uit, en hij memoriseerde haar letterlijk. Toch deed deze strenge voorbereiding op geen enkele wijze aan de spontaneïteit van het gesprokene woord te kort. Hij begon nooit, voordat
het ongeveer ademloos stil was, en verdroeg onder het spreken zelf geen beweging of schuifelen. Het ideaal, dat hem bij zijn homiletischen arbeid altijd weer voor den geest heeft gestaan, was de volle ontplooiing en juiste toepassing van den tekst. De toehoorder werd nooit met volzinnen gekweld, wier opzet hun afloop met zekerheid doet gissen. Alles vertoonde een sterk persoonlijk cachet, en zijn welsprekendheid droeg een typisch dwingend karakter. Wat beslist in zijn overtuiging voor zijn geest stond, kwam even beslist op het papier, en straks even beslist op den preekstoel. Door zijn realisme heeft Jonker wel eens verschrikt, en zelfs menschen de kerk uitgejaagd. Aan de andere zijde heeft echter zijn tegenzin tegen alle fraseologie talloos velen aan zijn verkondiging van het Evangelie van Christus verbonden.

Niemand heeft op Jonker's latere, meer en meer realistische en paradoxale prediking zulk een invloed uitgeoefend als Kierkegaard. Het is niet gemakkelijk met nauwkeurigheid aan te geven, waar Kierkegaard zijn gedachten heeft gestempeld. Stellig is dit het geval bij Jonker's beschouwingen over de verborgenheid van God, de subjectiviteit, de paradox, het geloof, niet het minst in zijn oordeel over het Christendom der traditie, de idee der gelijktijdigheid, en over de Kerk. Ook heeft hij, onder invloed van Kierkegaard, steeds meer het absolute op den voorgrond gesteld. Jonker heeft zich in zijn leven voortdurend minder bij het betrekkelijke kunnen neerleggen. Daarbij werd hij steeds banger voor objectieve religie, voor leer-christendom, omdat de persoonlijkheid hier geheel buiten schot kan blijven. Evenals bij Kierkegaard, behoorden ook bij Jonker de innerlijkheid en de wezenlijkheid voor goed bij elkander. Het geloofsleven droeg bij beiden een beslist paradoxaal karakter. Het leven buiten God had Jonker als absurditeit leeren kennen. Daarom ‘had hij den sprong uit zijn eigen absurditeit in de absurditeit van het geloof gedaan’. Wie gelooft, klemt zich vast aan de tegenstrijdigheid in God. Religie en logica hebben weinig met elkander te maken. De reflectie bereikt God nooit. Gelooven, dat is: objectief onzeker blijven, op zeventig duizend vademen diepte varen, en toch gelooven. Het nulpunt wordt in het leven met God het gloriepunt. In het hoogtepunt van de crisis breekt de ontferming van God door, en wordt de waarachtige zekerheid geschonken. Van dit crisis-moment was er voor Jonker's besef in het moderne Christendom weinig overgebleven. Het miste de idee der gelijktijdigheid met Christus, had het kruis-dragen afgeschaft, was meer een Christendom van ‘hoera’ dan van ‘Amen’. Christendom zonder lijden was echter onbestaanbaar.

Een groot geluk viel Jonker te Dordt te beurt in de geboorte van zijn zoontje Hans, op den 10den Mei 1898. Drie jaren tevoren had een dochtertje, Johanna Maria Wendela, het levenslicht gezien, maar het stierf helaas op den dag der geboorte. Des te
grooter was de vreugde der ouders, toen hun opnieuw een kind werd geschonken. Ds. en Mevrouw Jonker hebben echter niet bijzonder lang van hun blijdschap mogen genieten, want reeds betrekkelijk spoedig na de geboorte begon zich bij Mevrouw Jonker een ongeneeselijke ziekte te openbaren, die haar in de kracht der jaren ten grave zou sleepen. Op den vijfden Juni 1901 is Mevrouw Jonker op veertigjarigen leeftijd ontslapen. Haar ziekte en dood hebben Jonker zoo aangegrepen, dat hij de laatste jaren de zware inspanning in zijn pastoralen arbeid niet meer verdroeg, en ten slotte opnieuw besloot naar een kleinere gemeente om te zien. Toen er een beroep naar Heemstede kwam, trok hem de stille dorpspastorie zóó, dat hij het aannam. Den vijfden Januari 1902 sprak hij zijn afscheidsrede uit naar aanleiding van Psalm 116 vers 13a: ‘Ik zal den beker der verlossingen opnemen’. Veertien dagen daarna volgde de intree te Heemstede, waarbij zijn broeder Gerrit, destijds te Utrecht, hem opnieuw in zijn gemeente bevestigde.

Het werk te Heemstede was heel wat minder omvangrijk dan dat te Dordrecht. Terstond vatte hij den pastoralen arbeid aan, en men kan zeggen dat Jonker van Heemstede een gemeente gemaakt heeft. Van harte leefde hij mede met de inrichting ter verpleging van lijders aan vallende ziekte op ‘Meer en Bosch’, waarvan zijn vriend J.L. Zegers de voortreffelijke Directeur was. Met de collega's in den Ring stond hij op goeden voet. Vooral met G. Posthumus Meyjes te Zandvoort vertoefde hij veel en gaarne. In het dorp zelf behoorde Dr. M.C. Colenbrander tot zijn beste vrienden, en in de pastorie zorgde mejufr. Minet Jonker op uitnemende wijze voor den gang van zaken. Jonker's arbeid te Heemstede zou echter niet lang duren, want den zesden April 1905 werd hij, in de vacature E.F. Kruyf, benoemd tot Kerkelijk Hoogleeraar te Groningen.

Gedurende de voorafgaande jaren had Jonker zich vooral met practisch-theologische studiën bezig gehouden. Onder meer had hij studiën over Wichern, de beteekenis der erfelijkheidsleer voor den Evangeliedienaar, verder over het sociale vraagstuk, gegeven. Geruimen tijd heeft hij ook aan een handboek voor Homiletiek gewerkt, maar dit boek is helaas nooit verschenen. Naast de Practische Theologie had vooral de studie van het Nieuwe Testament zijn belangstelling. De vele grootere en kleinere geschriften, die hij op dit gebied heeft gepubliceerd, kan men in het literatuuroverzicht vinden. Onder deze hebben vooral zijn artikelen over de leer der conditioneele onsterfelijkheid eenige bekendheid verworven. Zij brachten hem ook in contact met Pétavel-Olliff, en andere buitenlandsche geleerden. Ten slotte had ook de zending zijn hart, zoodat het niet behoeft te verwonderen, dat Jonker tot het geven van onderwijs in de Practische Theologie, de Bijbelsche Theologie, en de Zendingsgeschiedenis, werd geroepen.
Op den 18den Juni 1905 sprak hij zijn afscheidsrede te Heemstede uit, en den 20sten September hield hij, in verband met de verbouwing der Aula, in de Doopsgezinde Kerk te Groningen, zijn oratie. Zijn rede over ‘Persoonlijk geloofsleven en theologische studie’ mocht zich in veler instemming verheugen. Vooral De la Saussaye junior en Valeton waren er zeer mee ingenomen. Naast W. Mallinckrodt, heeft Jonker nog een viertal jaren als Kerkelijk Hoogleeraar aan de Groningsche Universiteit gearbeid. Over het algemeen oefende hij hier meer door zijn persoon dan door zijn onderwijs, waarvoor hij zich misschien wel te veel voorbereidde, invloed. Het meest legde hij zich toe op de Bijbelsche vakken, maar zijn studenten genoten meer van zijn practisch-theologische colleges. Zijn critieken bij de homiletische oefeningen waren voortreffelijk, en het was een genot naar zijne beschouwingen over den omgang met gemeente-leden te luisteren. Met het publieke leven heeft Jonker zich te Groningen heel weinig bemoeid. Een enkele maal hield hij er een lezing, of trad hij er in een godsdienstoefening op. Voor het overige werkte hij op zijn studeerkamer, prepareerde hij zich voor zijne colleges, of verzorgde hij de uitgave van een bundel overdenkingen. In de vrije uren wandelde hij veel met zijn zoontje, of genoot hij van de vriendschap met mijn vader, die zich in 1905 veel moeite had gegeven om Jonker te Groningen te krijgen.

Een zware slag trof hem, toen de kleine Hans den achtsten Juli van het jaar 1909 geheel onverwachts, ten gevolge van een acute appendicitis, stierf. Het is vooral ook het leed over den dood van zijn kind geweest, dat Jonker heeft doen besluiten zijn ambt als Hoogleeraar te Groningen neer te leggen, en zich metterwoon te Heerde te vestigen. Wilde hij het levensprobleem, dat God hem in zijn groote verlies had opgedragen, oplossen en overwinnen, dan moest hij er zich tot op den diepsten bodem toe inleven, daar waar de redding gelegen was. Te Groningen, was hem dit onmogelijk. Daarom was hij er zeker van, dat hij voor zijn Professoraat moest bedanken. Op den zesden Augustus 1909 verleende de Synode der Hervormde Kerk hem eervol ontslag. In het najaar vertrok hij, nadat hij van zijne studenten en den kring zijner vrienden afscheid had genomen. Met zijn zuster mejuffr. Minet Jonker vestigde hij zich te Heerde in het huis ‘Bella vista’, en hier is hij tot op den dag van zijn overlijden blijven wonen.

Van tijd tot tijd heeft Jonker te Heerde nog eenige spreekbeurten gehouden, of godsdienstoefeningen geleid. Te Heerde viel hij wel voor den plaatselijken predikant S.L. van Stein Callenfels in, en nam hij ook wel ziekenbezoek, of andere werkzaamheden, van hem over. Vooral in de Veluwsche dorpskerken in den omtrek sprak hij in de eerste jaren meermalen en gaarne. Het is bekend, dat hij ook menig keer op ‘Het Loo’ heeft gepreekt, en dat H.M. onze Koningin hem telkens weer voor
een Zondagmorgen uitnoodigde. Onder de lezingen, die Jonker in den Heerdenschen tijd heeft gehouden, heeft vooral een te Amsterdam gegeven reeks over ‘Persoonlijkheids-streven en Christendom’, en andere onderwerpen, de aandacht getrokken. Ook moeten hier ennige referaten voor de zomerconferentie's der N.C.S.V. te Nunspeet, en de Woodbrookers te Barchem, worden vermeld. Den 16den December 1917 heeft hij nog eens te Zandvoort gepreekt, waar hij bij zijn vriend Posthumus Meyjes logeerde. Waarschijnlijk is dit wel een van de laatste malen geweest, dat hij den kansel heeft betreden.

Gedurende de laatste levensjaren heeft Jonker eenige stichtelijke werken uitgegeven, waaronder vooral zijn boek over Psalm 84 de volle aandacht verdient. Het liefst verdiepte hij zich echter voor zichzelf in den Bijbel, en in de geschriften van mannen als Johannes Müller, Kierkegaard, later ook in Karl Barth. Vooral in de zomermaanden kwamen er zeer vele vrienden, die hem in de Heerdensche rust nog eens wenschten te bezoeken. Mijn vader logeerde geregeld bij hem, en niet het minst met zijn broeder Gerrit bleef hij onafscheidelijk verbonden. Toch bracht hij zijn tijd zooveel mogelijk in de stilte en de eenzaamheid door. Van de drukte van het moderne cultuurleven moest hij steeds minder hebben. Het liefste vertoefde hij in de hutten der heide-bewoners, waar hij vooral de zieken opzocht, met hen meeleefde en bad. Ook had Jonker te Heerde vele vriendjes onder de kinderen van het dorp, waarvan hij er velen bij name kende. Te midden van dit alles heeft hij voor zichzelf zijn strijd gestreden, en heeft hij de tragedie van het Evangelie steeds meer als lijden en heerlijkheid leeren verstaan. Juist omdat hij het voor zichzelf zoo moeilijk had, heeft hij in persoonlijke gesprekken op zijn studeerkamer, en vooral ook in zijn zeer uitgebreide correspondentie, zeer velen gesterkt en bemoedigd. De indruk, dien men bij een bezoek aan hem kreeg, was meestal onvergetelijk. Men had het gevoel in aanraking te komen met een man, die met het Evangelie van Christus ernst had gemaakt, en er den zeldzamen adel van zijn geest aan had te danken.

Na het overlijden van zijn broeder Gerrit in Januari 1924, werd Jonker merkbaar ouder. Persoonlijk verlangde hij reeds lang naar het einde, omdat hij den diepen zin van het woord van Nietzsche verstond: ‘wo keine Gräber sind, da giebt es auch keine Auferstehungen’. In den nacht van den vijfden op den zesden Juni 1928 is hij, nog onverwacht, in vrede heengegaan. Zijn laatste woorden waren: ‘het is alles goed, ook in den dood’. Op den negenden Juni, een heerlijken zomerdag, had de begrafenis plaats. In het sterfhuis vertoefde een groep zeldzaam uiteenloopende menschen, die allen dit met elkander gemeen hadden, dat zij behoefte gevoelden samen te treuren en samen te danken. Zijn leerling Ds. J. van Bruggen te Amsterdam las Psalm 23. Op het kerkhof, waar zich vele dorpsbewoners en
kinderen bij den stoet aansloten, sprak alleen Ds. G. Posthumus Meyjes. Daarna zongen allen Psalm 89 vers 1. Degenen die van buiten gekomen waren, zongen aanzienlijk vlugger dan de bewoners der Veluwe. Maar allen vormden met elkander een eenheid, en wisten zich bij dit gemeenschappelijk verlies geestverwant en verbonden.

Zoo namen wij op dien dag der begrafenis voor dit leven afscheid van onzen beminden doode. Wij zullen Jonker blijven missen, en bewaren zijn beeld voor goed als dat van een stillen en grooten getuige in onze dankbare herinnering.

Eere zij zijne gedachtenis!



M. van Rhijn.


Klik hier om het boek te bestellen »



Winkelwagen
Top 5 boeken

Nijboer Boeken | Zuiderweg 11, 9269 TX, Veenwouden, Tel. 0511-472185
jordans for salejordans for salejordans for salesac longchamp pas cher